Nieuws
vers van de pers

14 januari 2021

Grote bedrijven maken hun belofte om energie te besparen niet waar

Bron: NRC handelsblad, Erik van der Walle

Grootverbruikers Het waren mooie afspraken tussen de overheid en die 112 grootverbruikers van energie. Maar de besparingen waar ze zich aan hadden gecommitteerd, werden bij lange na niet gerealiseerd.

Eerbeek is een dorp met papierindustrie. Langs ’t Haagje worden wonen en papierfabriek DS Smith De Hoop van elkaar gescheiden door een hoge groene wand.
Eerbeek is een dorp met papierindustrie. Langs ’t Haagje worden wonen en papierfabriek DS Smith De Hoop van elkaar gescheiden door een hoge groene wand.Foto Walter Herfst 

De inspanningen van de overheid om via een convenant grote industriële bedrijven tot energiebesparing aan te zetten, hebben de afgelopen tien jaar tot weinig extra resultaat geleid. Raffinaderijen, chemische bedrijven en bijvoorbeeld ook glasproducenten bespaarden gemiddeld jaarlijks 1,1 procent op hun energiebehoefte. Het uitgangspunt van het zogeheten MEE-convenant, waaraan ruim honderd bedrijven deelnamen was destijds een besparing van 2 procent. Papierfabrikanten en bierbrouwerijen presteerden het best.

„Over de hele linie is nauwelijks meer bereikt dan de zogeheten autonome besparing. Dat is de besparing van 0,9 tot 1 procent die je altijd al bereikt, zonder extra beleid”, zegt Ab de Buck die zich eerder bij onderzoeksbureau CE Delft en DCMR Milieudienst Rijnmond gespecialiseerd heeft in industriële besparing. „Je kan je echt afvragen of het MEE-convenant enige zin heeft gehad.”

Een ander convenant, waaraan zo’n 900 kleinere bedrijven zich bonden (MJA3), meldt hogere besparingen. Die ondernemingen weten jaarlijks hun processen gemiddeld 1,7 procent efficiënter te maken.

Je kan je echt afvragen of het MEE-convenant enige zin heeft gehad

Ab de Buck besparingsexpert

„Het resultaat over de afgelopen tien jaar is niet genoeg in het licht van wat in het MEE-convenant is afgesproken”, zegt Gertjan Lankhorst. Als voorzitter van VEMW vertegenwoordigt hij grootverbruikers van energie. De voormalige topambtenaar van Economische Zaken denkt dat investeringen om energie te besparen het afleggen tegen investeringen die sneller en hoger rendement opleveren. „Mogelijke investeringen in een bedrijf gaan bij het moederbedrijf in een grote pot. Als een project verplicht is, moet het. Zo niet, dan concurreert het met andere projecten die misschien wel direct rendement opleveren. Een besparing die zich in een aantal jaar moet terugverdienen, is best een lastig verhaal.”

Verplichting

Lankhorst vindt dat zelf geen zaligmakende verklaring. „Heb je als bedrijf zo’n convenant met de overheid afgesproken, dan zit er een verplichting in. Dan moet je bij jouw hoofdkantoor kunnen zeggen: deze investering moet ik doen. Daarom snap ik niet dat keer op keer die verplichtingen niet worden gehaald.”

Martijn Broekhof, hoofd klimaat bij de branchevereniging voor de chemische industrie (VNCI), benadrukt dat de behaalde energiebesparing van 1,1 procent alleen het proces van het bedrijf zelf behelst. „In de chemie, en ook in de raffinage, is de ketenbesparing belangrijk. Dat is de besparing die je samen met toeleveranciers of klanten boekt. Neem je die mee, dan komt de jaarlijkse besparing op 1,3 procent uit. Inclusief de buitenlandse zelfs op 1,8 procent.”

Onlangs zond minister Eric Wiebes (Economische Zaken en Klimaat, VVD) de resultaten van het MEE-convenant over 2019 naar de Tweede Kamer. Aan de afspraken, die eind vorig jaar afliepen , deden 112 grote industriële bedrijven mee die ruim een kwart van het nationale energieverbruik voor hun rekening nemen. „Als al die bedrijven de beoogde 2 procent energiebesparing op hun eigen proces hadden gehaald, dan zou dat jaarlijks 3,8 megaton CO2-uitstoot hebben gescheeld”, zegt De Buck. „Ter vergelijking: het streven in het klimaatakkoord om 1,5 miljoen huizen van het aardgas te halen, moet in 2030 tot een uitstootreductie van 2,4 megaton leiden.”

In een reactie benadrukt Wiebes’ ministerie dat een energiebesparing van 2 procent geen formeel doel van het MEE-convenant was. Die besparing wordt wel als doel van de regeringscoalitie in 2007 (kabinet-Balkenende IV) in de uitgangspunten van het MEE-convenant genoemd. Het convenant moest tot „een significante verbetering van de energie-efficiëntie” leiden. Voor de periode 2017 tot en met 2020 zijn aparte besparingsdoelen gesteld. In vier jaar moest 22 petajoule (PJ, een maat voor energie) van de ruim 500 PJ worden bespaard.

In een brief aan de Kamer stelt Wiebes dat de MEE-bedrijven tot en met 2019 „gezamenlijk 60 procent van hun voorgenomen besparing hebben gerealiseerd”. Het coronavirus en „de beperkte tijd die nog resteert” kunnen „het behalen van de ambitie bemoeilijken”. Naast de genoemde 22 PJ eiste het Rijk in een latere fase nog 9 PJ extra besparing voor 2020. Wiebes maakte deze maand bekend dat die extra eis grotendeels is behaald.

De grote bedrijven die deelnemen aan het Europese handelssysteem ETS – zij moeten over rechten beschikken om CO2 uit te stoten – hoeven in Nederland niet te voldoen aan de energiebesparingsplicht. Kleinere bedrijven zijn al jaren verplicht op energie te besparen als een investering daarin in vijf jaar wordt terugverdiend. Een recent aangenomen motie van Tweede Kamerlid Tom van der Lee (GroenLinks) vraagt de minister te onderzoeken of die plicht ook de grote industrie kan worden opgelegd. Wiebes gaat nu bekijken of zo’n besparingsplicht niet ten koste gaat van „andere, effectievere CO2-reducerende maatregelen”. Recentelijk heeft het parlement bijvoorbeeld de wet voor een nationale CO2-heffing aangenomen.

Elektrificatie

Dat CO2-reductie en energiebesparing gaan concurreren is een terechte angst, vindt Lankhorst van VEMW. Volgens hem is het veel zinniger om je te richten op één doelstelling, het terugdringen van broeikasgassen. „De belangrijkste manier om dat te bereiken is elektrificatie. Stroom vormt nu 20 procent van het totale energieverbruik en dat aandeel zal snel stijgen. Voor bedrijven kan het dan ingewikkeld worden om minder energie te verbruiken als ze de uitstoot willen beperken. Minder aardgas vergt nu eenmaal veel meer stroom. ‘Wat willen we nou?’, is dan de logische reactie uit de industrie.”

Tegelijkertijd is Lankhorst, die mee onderhandelde over het klimaatakkoord, kritisch op de industrie. „Een groot aantal bedrijven toont zich defensief op het gebied van verduurzaming. Dat zag je ook bij het klimaatakkoord en meestal bepaalt de langzaamste het tempo. Als critici nu zeggen ‘goed dat die CO2-heffing er komt’, dan begrijp ik dat, al vind ik die heffing niet verstandig. Je kan niet tegen alles zeggen dat het niet goed is en tegelijkertijd niet zelf leveren.”

Manoeuvreerruimte beperkt

In de uitkomsten van het MEE-convenant blijkt dat de energiebesparing bij bedrijfstakken varieert. „Je ziet dat brouwerijen en de papierindustrie de afgelopen tien jaar steeds zo’n 1,7 procent besparen. Maar raffinaderijen en chemiebedrijven komen niet of nauwelijks boven het autonome besparingsniveau van 1 procent”, zegt De Buck. Volgens hem vallen de best presterende bedrijven geregeld onder een Nederlandse of Europese moeder. „Bij de minder presterende bedrijven moeten investeringen vaker binnen twee of drie jaar worden terugverdiend.”

Volgens Martijn Broekhof van de VNCI is de manoeuvreerruimte van veel bedrijven om tot besparingen te komen beperkt. „Grote complexe installaties worden eens in de vijf jaar stilgelegd, dan kan je pas iets doen. En binnen de chemie is energiebesparing belangrijk, maar procesveiligheid is nog veel belangrijker.”

Broekhof benadrukt dat bedrijven zich aan diverse overheidsdoelen moeten houden. Bij sommige is sprake van een boeteclausule. Bij het MEE-convenant is dat niet direct het geval. „Soms word je rechtstreeks afgerekend en dan is de vraag waar je in gaat investeren. Dat geldt bijvoorbeeld voor de extra eis van de overheid om aanvullend 9 PJ te besparen.”

Binnen de chemie is energiebesparing belangrijk, maar procesveiligheid is nog veel belangrijker

Martijn Broekhof VNCI

Ook al zijn de doelen niet gehaald, het convenant heeft volgens Broekhof zin gehad. „Vanwege bewustwording bij bedrijven. En wij kunnen de overheid ook laten zien hoe complex het kan zijn. Dit soort gesprekken over en weer hebben ook de basis gelegd voor het klimaatakkoord.” Of de convenanten een vervolg krijgen, wordt volgens Economische Zaken en Klimaat nog in overleg met de bedrijven bekeken.

Papierproductie bij Norske Skog Parenco in Renkum in 2010. De papiersector doet het qua energiebesparing relatief goed.Foto Flip Franssen

Voor het MEE-convenant was 2019 ook bijzonder omdat het energiegebruik niet volledig verklaard kan worden. De gemiddelde efficiencyverbetering is weliswaar 1 procent ten opzichte van een jaar eerder, maar „een niet direct te verklaren restpost van 24 PJ blijft over’’. Dat staat gelijk aan maar liefst 4,2 procent van het energieverbruik van de deelnemende bedrijven.

„Die restpost is nu buiten de totaalcijfers gehouden. Maar als je dat meeneemt, is er vorig jaar 3 procent meer energie verbruikt”, zegt De Buck. „Deze ontsparing, het tegenovergestelde van besparing, zorgt voor zo’n 2 megaton CO2-uitstoot. Dat staat gelijk aan de uitstoot van bijna één miljoen auto’s in een jaar.”

13 januari 2021

Opnieuw het Warmtebedrijf ‘ingerommeld’

Bron: NRC Handelsblad Eppo König

Leiding naar Leiden Maakt het Warmtebedrijf weer een doorstart, of stoppen we en nemen we het verlies?

Afvalcentrale AVR in de Botlek gebruikt de vrijkomende warmte om stroom op te wekken.
Afvalcentrale AVR in de Botlek gebruikt de vrijkomende warmte om stroom op te wekken.Foto Branko de Lang 

De geschiedenis herhaalt zich, want mensen willen alleen leren van de fouten van hun eigen tijd, heb ik ooit gelezen. Zelfs dat vinden ze soms lastig.

Foto Folkert Koelewijn

EVEN VOORUITKIJKEND

Wat kunnen we nog meer verwachten in het nieuwe jaar in Rotterdam?

Neem het Warmtebedrijf van de gemeente Rotterdam. Er is meer dan 200 miljoen ingestoken om het overeind te houden. Véél geld waarmee je van alles had kunnen doen: een stadion financieren, een museum renoveren, een metro naar zee aanleggen. Of mensen zonder geld helpen.

In 2021 staat de gemeenteraad voor een belangrijk besluit. Maakt het Warmtebedrijf weer een doorstart, of stoppen we en nemen we het verlies?

Vijftien jaar ellende in het héél kort: het Warmtebedrijf levert restwarmte uit de havenindustrie aan woningen. Alleen koopt het bedrijf meer warmte in dan het kan afzetten, dus lijdt het verlies. De gemeente zag ooit een oplossing in warmte-export via een pijpleiding naar Leiden. En die is nooit aangelegd.

De Rekenkamer Rotterdam heeft in 2019 een onderzoek van 130 pagina’s over het Warmtebedrijf gepubliceerd. Een onderzoekscommissie van de gemeenteraad heeft in september vorig jaar een enquêterapport van 150 pagina’s gepresenteerd. Conclusies: alles rammelde, maar het Warmtebedrijf werd door de jaren too big to fail.

„Tot drie keer toe is gedacht dat stoppen te kostbaar zou zijn”, staat in het enquêterapport van de gemeenteraad, „maar per saldo kost het Warmtebedrijf de gemeente anno 2020 meer geld dan ooit.

Nu is er dus een nieuw plan. Een andere leiding naar Leiden, niet via Zoeterwoude, maar via Rijswijk. GasUnie legt dit keer de pijpen aan, het Warmtebedrijf ‘huurt’ ze om warmte te kunnen leveren aan Vattenfall. In 2026 of 2027; tot die tijd moeten we het Warmtebedrijf blijven reanimeren.

In november nam de raad een voorlopig besluit. Robert Simons van Leefbaar noemde het de „omgekeerde wereld”: er werd nog onderhandeld en de risico’s zijn nog onbekend. Zo worden we er weer „ingerommeld”, mopperde hij in het digitale debat.

Wat deed Simons? De raadsnestor somde nog eens de eigen aanbevelingen van de eigen raadsenquête over het Warmtebedrijf op. Verse lessen, toen twee maanden oud.

„Bezint eer ge begint.”

„Niet starten zonder een voldragen businesscase.”

„Risico’s nemen is niet erg als de raad dat maar bewust en goed geïnformeerd doet.”

„Ga niet onvoorwaardelijk een verplichting aan als je niet zeker weet dat je die niet kunt nakomen.”

„Stoppen is geen falen.”

Daarbij staat in het enquête-rapport: „Inventariseer stoppen niet alleen als een van de scenario’s, maar weeg het af als serieuze optie. Dit vergt bestuurlijke en politieke moed van raad en college.”

En de raad? Die stemde voor de nieuwe leiding naar Leiden. Met 26 van de 44 stemmen: de hele coalitie van VVD, GroenLinks, PvdA, D66, CDA en CU-SGP plus oppositiepartij Denk. Denk is ook een beetje groen en wil in 2022 best meebesturen.

Formeel was het nog een „voorkeursrichting”. Wethouder Arjan van Gils (D66) komt begin 2021 terug met het onderhandelingsresultaat. Wie weet werkt dit plan wel, en wordt het Warmtebedrijf alsnog een succes.

Of het stadsbestuur maakt weer een dure fout om van te leren. Ooit.

12 januari 2021

Bedrijven komen te gemakkelijk weg met energieverspilling

Bron: NRC Handelsblad

Commentaar

Doe de deur dicht, doe het licht uit. Energie besparen is thuis net zo ingesleten als afval in de prullenbak gooien. De overheid moedigt burgers aan om nog meer te doen, en terecht. Om een zuinige koelkast te kopen, de spouwmuur te isoleren. Energieverbruik is nog altijd grotendeels fossiel. Hoe minder CO2-uitstoot, hoe beter.

Dit is het dagelijkse commentaar van NRC. Het bevat meningen, interpretaties en keuzes. Ze worden geschreven door een groep redacteuren, geselecteerd door de hoofdredacteur. In de commentaren laat NRC zien waar het voor staat. Commentaren bieden de lezer een handvat, een invalshoek, het is ‘eerste hulp’ bij het nieuws van de dag.

Daarom is het teleurstellend hoe weinig eisen de overheid tot nog toe stelt aan energiebesparing bij bedrijven die probleemloos het duizendvoudige aan aardgas en elektriciteit gebruiken van wat een huishouden gebruikt. In 2009 sloot het vierde kabinet Balkenende een convenant voor energiebesparing met grote industriële bedrijven, van raffinaderijen en de chemische industrie tot glas- en papierfabrieken. Ze spraken af tot en met 2020 minder energie te verbruiken, in ruil voor bepaalde vrijstellingen van energiebelasting.

De resultaten van de ‘Meerjarenafspraak energie-efficiëntie ETS-bedrijven’ (MEE) blijven zwaar achter bij de doelstellingen, blijkt nu. In de afgelopen jaren kwamen de fabrieken niet verder dan 60 procent van de energiebesparing die ze voor 2020 hadden afgesproken, meldde minister Eric Wiebes (Economische Zaken en Klimaat, VVD) de Kamer eind november. Hij meed elke harde conclusie. De bedrijven liggen „niet op koers”, maar de ambitie die de bedrijven zichzelf hadden gesteld was ook „hoog”.

Zo makkelijk gaat dat dus. Een onderzoeker die de hele periode sinds 2009 onderzocht, concludeerde deze week in NRC dat het MEE-convenant waarschijnlijk geen enkel resultaat heeft opgeleverd. De fabrieken deden gemiddeld niets méér aan energiebesparing dan landelijk toch al gebruikelijk was. Als zij hun afspraken zouden zijn nagekomen, zou de landelijke CO2-uitstoot nu circa 2 procent lager liggen. Dat is meer milieuwinst dan, bijvoorbeeld, het hele huidige kabinetsbeleid voor aardgasvrij wonen.

Een goed excuus heeft de industrie niet. De besparende maatregelen die de fabrieken zouden nemen, zijn technisch haalbaar en niet duur. Het zijn ingrepen die zichzelf in vijf jaar terugverdienen. Toch draaien de energieslurpende motoren en ketels door. Fabrieksdirecties investeren liever in zaken die nog sneller geld opbrengen. De jaarlijkse controle door overheidsdienst RVO is blijkbaar geen stok om mee te slaan. Dat grote fabrieken weinig energiebelastingen betalen – zoals 4 cent voor een kuub aardgas, terwijl particulieren 43 cent betalen – prikkelt evenmin.

Het is het zoveelste milieuconvenant dat de verwachtingen niet waarmaakt. Hetzelfde geldt voor lopende convenanten voor energiebesparing in huurwoningenhuishoudens en de glastuinbouw, om maar wat te noemen. Tot politieke ophef leiden zulke mislukkingen zelden. De afspraken dateren doorgaans van lang geleden. Kans gemist, op naar het volgende plan.

Zo gaat het nu ook met energieverspilling in de industrie. Voor kleinere fabrieken en andere bedrijven komen er vanaf 2023 aanvullende energiebesparingseisen. Daarnaast laat de minister, na een aangenomen motie van GroenLinks, onderzoek doen naar eventuele gedwongen energiebesparing voor grote industriële bedrijven. Ook het Europese emissiehandelssysteem en de aanstaande CO2-heffing voor de industrie zullen voor verbetering zorgen.

Maar snel gaat het niet, terwijl er al in het afgelopen decennium veel bereikt had kunnen worden. De overheid is het aan zichzelf verplicht nu hard in te grijpen. De nonchalance waarmee bedrijven verspillen en daarmee het klimaat schaden, is te lang beloond.

7 januari 2021

De spaarpot van huiseigenaren zit vol geld voor energiebesparing

Bron: NRC Handelsblad, Hester van Santen

Het skiën gaat niet door, het orkest zwijgt, de afhaalciabatta heeft plaatsgemaakt voor de boterham met pindakaas. Door de pandemie is er weinig om geld aan uit te geven, en dus bulken huishoudens van het spaargeld. Tot en met oktober was er bij Nederlandse banken 22 miljard euro gespaard: 8 miljard meer dan een jaar eerder.

Die spaarpot is een stuwmeer, zeggen ze. Of een snelkookpan. Hoe meer je erin gooit, des te hoger de druk. Het geld moet eruit! Maar waaraan besteed je het?

Aan energiebesparing in huis. Huiseigenaren zijn veel meer dan in het voorjaar bereid om hun woning te verduurzamen, bleek eind december uit een enquête van ABN Amro onder 1.100 huiseigenaren.

Verrassend, want tijdens de eerste golf van het coronavirus in april hadden huizenbezitters juist minder aandrang om in verduurzaming te investeren. Ze waren onzeker over hun financiële toekomst, beducht voor mensen over de vloer en straks zou de aannemer nog failliet gaan.

Die angst is blijkbaar overgegaan.

Van de huizenbezitters zei 18 procent méér dan voor de pandemie geld te willen besteden aan een duurzamer huis. In april was dat nog slechts 11 procent. Eten, woninginrichting of sparen zijn nog populairder, maar dat was in de lente ook al zo.

Voor verduurzaming bestaan gunstige leningen (zoals het Nationaal Warmtefonds of via de hypotheek), maar daar zijn Nederlanders niet happig op, bleek eerder al uit onderzoek. Huiseigenaren sprekenvoor het verduurzamen van hun huis vooral hun spaargeld aan.

Daar hebben ze sinds 2020 steeds meer van. De Nederlandse Vereniging voor Duurzame Energie (NVDE), die voor het onderzoek met ABN Amro samenwerkte, ziet naast die snelkookpan vol spaargeld nóg een reden voor het toegenomen enthousiasme. „Mensen zitten veel thuis”, zegt directeur Olof van der Gaag aan de telefoon. „Dan vind je het prettig dat je huis comfortabel is, je voelt het als je muren of je vloer koud zijn.” Duurzame ondernemers merken ook dat de vraag aantrekt, zegt de NVDE. Van de bedrijven die huizen isoleren, zonnepanelen leggen of warmtepompen en zonneboilers installeren, heeft tweederde een prima tijd: ze verwachten een gelijke of gestegen omzet. Terwijl veel bedrijven in het voorjaar nog vreesden voor de toekomst.

Ook verduurzamen? Dat is nu financieel gunstiger en gemakkelijker. Afgelopen zomer is de rijkssubsidie voor isolatie verhoogd. En sinds 1 januari 2021 is er voor energiebesparingssubsidies voor woningen één overheidsloket.

6 januari 2021

‘Het olietijdperk is nog lang niet voorbij’

Bron: Financieel Dagblad, Jeroen Groot

Daniel Yergin (73) geldt als een autoriteit op het gebied van energie. Zijn standaardwerk The Prize, over de geschiedenis van de olie-industrie, won de prestigieuze Pulitzerprijs. Zijn nieuwste boek The New Map komt precies op het moment dat de energiewereld op zijn kop staat. Maar Yergin waarschuwt: de wereld is nog niet zo snel van de olie af.Deel via WhatsAppDeel via TwitterDeel via FacebookDeel via LinkedInDeel via E-mail

Foto: Qilal Shen/Bloomberg

Hij voorziet al decennia lang de regering van de Verenigde Staten van advies over energie en richtte een succesvol bedrijf op, maar in zijn doen en laten heeft Daniel Yergin nog steeds wat weg van een ietwat verstrooide professor. Het interview vindt, zoals zo vaak in het coronatijdperk, via een videoverbinding plaats. Zijn bureau ligt vol met papieren en boeken, en hij neemt de tijd om zijn kat voor te stellen, die halverwege het gesprek voor de camera springt. Yergin formuleert bedachtzaam en zorgvuldig, maar als het over de grondstof gaat die hij het grootste gedeelte van zijn werkzame leven heeft bestudeerd is hij stellig.

De olieprijs stortte dit jaar in en is nog steeds niet terug op het oude niveau. Zelfs oliemaatschappij BP komt nu met scenario’s waarin de vraag nooit meer terugkomt op het oude niveau. Is dit het einde van het olietijdperk?

‘Er zijn veel mensen die dit niet willen horen, maar het is echt te vroeg om dat te zeggen. De vraag naar olie in China is nu alweer hoger dan een jaar geleden. Alles hangt af van het economisch herstel. Als de wereldeconomie snel herstelt, komt ook de vraag naar olie terug. Ooit komt er een einde aan de groei van de vraag naar olie. Maar ik denk nog steeds, gebaseerd op alles wat we nu weten, dat het meest waarschijnlijke scenario is dat dat moment over een jaar of tien pas zal zijn. Zo rond 2030. En dat betekent dan ook niet dat de vraag plotseling instort. Het is meer een geleidelijk afname vanaf een hoog niveau’.

Bent u niet veel te optimistisch over de vraag naar olie? Er worden steeds meer elektrische auto’s verkocht, de koers van autofabrikant Tesla is geëxplodeerd.

‘Mensen vergeten altijd wat er allemaal van ruwe olie wordt gemaakt, behalve benzine. Kunststoffen bijvoorbeeld. De carrosserie van een Tesla is gemaakt van kunststof. Beschermende kleding tegen besmetting met corona is gemaakt van kunststof. Windturbines zijn deels gemaakt van kunststof. De verkoop van elektrische auto’s gaat inderdaad omhoog, maar alle benzineauto’s zijn niet zomaar vervangen. Dat gaat nog decennia duren. Olie blijft nog heel lang een belangrijk onderdeel van de energiemix, ondanks de opkomst van duurzaam opgewekte energie’.

Daniel Yergin
Daniel Yergin Foto: Cary Hazelgrove

En de politiek dan? De wereld staat voor een klimaatcrisis. Politici sturen aan op een groen herstel van de economie. Zal overheidsingrijpen de transitie naar schone energie niet drastisch versnellen?

‘De politiek heeft daar zeker veel invloed op, vooral in Europa, maar ook daar zijn grenzen aan. Een belangrijke vraag is wie de energietransitie gaat betalen. Ook de middelen van de overheid zijn eindig. De overheidsschulden zijn enorm gestegen om de coronacrisis te bestrijden, en die is nog niet eens afgelopen. Er zullen keuzes gemaakt moeten worden en dat gaat gepaard met politieke strijd. Een veelzeggend voorbeeld was de opkomst van de gele hesjes in Frankrijk in 2018. Die beweging kwam op gang na een verhoging van de brandstofaccijns’.

Beleggers lijken ondertussen wel klaar te zijn met olie. De aandelenkoersen van oliemaatschappijen staan nog steeds erg laag. Als er nog steeds olie nodig is en er wordt niet geïnvesteerd in nieuwe velden, krijgen we dan over een paar jaar een tekort aan olie en enorme prijsstijgingen?

‘Dat kun je nooit uitsluiten, de geschiedenis heeft ons geleerd voorzichtig te zijn met voorspellingen over de olieprijs. Maar ik acht het onwaarschijnlijk dat olieprijzen lang heel hoog blijven. Aan de aanbodzijde is er heel veel veranderd door de opkomst van Amerikaanse schalie-olie. Hoge prijzen zullen snel voor extra aanbod zorgen, waardoor die prijsstijging afvlakt’.

Is er ook niet iets veranderd bij de landen waar de olie-industrie in handen is van de overheid? Denk bijvoorbeeld aan Saoedi-Arabië. Dat land beperkt nu samen met de andere oliestaten de productie om de prijs op peil te houden, maar zullen ze dat blijven doen als de vraag afneemt?

‘Het refrein in de olie-exporterende landen was vroeger altijd: we moeten de olie bewaren voor onze kleinkinderen. Nu zijn die kleinkinderen aan de macht en willen ze zoveel mogelijk olie verkopen, nu het nog kan. Tot een paar jaar geleden was de gedachte dat de vraag altijd zou blijven groeien, maar nu realiseert iedereen zich dat de vraag uiteindelijk een keer zal pieken. Prijzen zouden wel een tijdje omhoog kunnen schieten door een geopolitiek conflict. Dat is niet zo onwaarschijnlijk. Voordat ik gefascineerd raakte door energie bestudeerde ik de geschiedenis van de internationale politiek en de conflicten tussen landen. De taal die sommige politieke leiders nu uitslaan, doet denken aan de periode voor de Eerste Wereldoorlog’.

Dat klinkt beangstigend.

‘Er is zeker reden tot bezorgdheid. Kijk naar de botsing tussen China en de VS. Democraat Joe Biden komt aan de macht in de Verenigde Staten, maar zowel Republikeinen als Democraten zien China op zijn best als strategische rivaal. Ik hoorde een senator onlangs nog zeggen dat de VS geen gelijkwaardige concurrent hebben gehad sinds de Tweede Wereldoorlog, en dat die concurrent nu China is. We leefden tot nu toe in een geglobaliseerde wereld. Bij aanvoerlijnen telde efficiëntie en de economie, niet de geopolitiek. Als dat verandert, heeft dat ook consequenties voor de levering van grondstoffen. Andere landen willen niet klem komen te zitten tussen China en de VS.’

Zal dat ook gevolgen hebben voor de levering van grondstoffen voor de energietransitie?

‘Zeker. Als we de bestaande capaciteit voor de opwekking van elektriciteit in zijn geheel willen vervangen door wind- en zonne-energie, moet de opwekcapaciteit op de wereld worden verdubbeld. Dat zijn heel veel metalen en mineralen die uit de grond gehaald moeten worden, met heel veel mijnbouw en heel veel verplaatsingen van die grondstoffen van het ene continent naar het andere. Dat is nog een argument waardoor de energietransitie wel eens langzamer kan verlopen dan veel mensen hopen. Aan de andere kant geloof ik dat de technologie veel oplossingen kan leveren. Mijn favoriete voorbeeld is de lithium-ion batterij, die nu wordt toegepast in elektrische auto’s. Die is in de jaren zeventig uitgevonden in een laboratorium van oliemaatschappij ExxonMobil. Technologie kan veel oplossen, maar het kost tijd’.

U rijdt al jaren in een benzineauto, een oude Volvo. Heeft u die nog steeds?

‘Inderdaad. Volvo’s zijn heel populair in mijn buurt in Washington. Maar ik sprak er laatst over met mijn vrouw: misschien wordt het toch tijd voor een elektrische auto’.

Cv

1968: Bachelor of Arts, Universiteit van Yale.

1974: Promotie aan de Universiteit van Cambridge, met een proefschrift over het ontstaan van de Koude Oorlog.

1977: Publicatie eerste boek, deels gebaseerd op zijn proefschrift Shattered Peace: The Origins of the Cold War and the National Security State. Yergin richt zijn onderzoek ondertussen steeds meer op de energiewereld.

1979: Publiceert samen met Robert Stobaugh Energy Future: Report of the Energy Project at the Harvard Business School.

1982: Richt samen met Jamey Rosenfield Cambridge Energy Research Associates (CERA) op, een gerenommeerd onderzoeksbureau over energie en de olie-industrie.

1990: Publiceert zijn bekendste boek: The Prize: The Epic Quest for Oil, Money, and Power, over de geschiedenis van de internationale olie-industrie. Het wordt, net als zijn eerdere boeken, een bestseller. The Prize wint in 1992 de Pulitzerprijs.

1998: Publiceert samen met Joseph Stanislaw een boek over de opkomende globalisering: The Commanding Heights: The Battle Between Government and the Marketplace That Is Remaking the Modern World.

2004: CERA wordt onderdeel van databedrijf IHS, wat later fuseert tot IHS Markit, waar Yergin vicevoorzitter van het bestuur is. IHS Markit wordt eind 2020 overgenomen door S&P Global.

2011: Publiceert The Quest: Energy, Security, and the Remaking of the Modern World, een vervolg op The Prize.

2020: Publicatie The New Map: Energy, Climate, and the Clash of Nations, over nieuwe geopolitieke energiekaart, de nieuwe mix tussen de verschillende energiebronnen en de weg naar de energietransitie.

Daniel Yergin is getrouwd en heeft twee kinderen. Hij woont in de stad Washington, in de Verenigde Staten.

5 januari 2021

Baas Rotterdamse haven: ‘Nu is de tijd om groot te denken’

Bron: Financieel Dagblad, Bert van Dijk, Pieter Lalkens

Allard Castelein werkt zich ‘een slag in de rondte’ om zijn missie te laten slagen: de Rotterdamse haven ingrijpend veranderen en zo de uitstoot van CO₂ flink verminderen. Maar Nederland dreigt volgens hem een kans te missen.Deel via WhatsAppDeel via TwitterDeel via FacebookDeel via LinkedInDeel via E-mail


De Rotterdamse haven draait nu nog voor de helft om olie en kolen. De industrie stoot als cluster de meeste CO₂ in Nederland uit. Maar de toekomst van de haven wordt een stuk klimaatvriendelijker als het aan Castelein ligt.
De Rotterdamse haven draait nu nog voor de helft om olie en kolen. De industrie stoot als cluster de meeste CO₂ in Nederland uit. Maar de toekomst van de haven wordt een stuk klimaatvriendelijker als het aan Castelein ligt. Foto: Your Captain Luchtfotografie

In het kort

Allard Castelein heeft grote ambities op het gebied van klimaat.

Rotterdam moet een belangrijk knooppunt worden in de waterstofeconomie.

Castelein wil zo snel mogelijk beginnen met het aanleggen van infrastructuur, want het buitenland zit niet stil.

Allard Castelein werkt zich ‘een slag in de rondte’ om zijn missie te laten slagen: de Rotterdamse haven ingrijpend veranderen en zo de uitstoot van CO₂ flink verminderen. Massale inzet op waterstof is harde noodzaak voor de haven. Maar Nederland dreigt deze kans te missen.

‘Als je traditioneel blijft denken in schotten en beperkingen en in wat níet zou moeten, dan gaan we er niet komen’, zegt de ceo van Havenbedrijf Rotterdam (HbR). Uitspraken als ‘we moeten groot durven denken’ en ‘als je gaat zitten afwachten gebeurt er niets’ vallen meerdere keren in het interview.

Politieke druk

Castelein heeft haast. Want tegelijkertijd neemt de politieke en maatschappelijke druk toe op alles wat fossiel is. GroenLinks pleit in zijn verkiezingsprogramma de facto voor het sluiten van de Rotterdamse haven: ‘We sluiten de kolencentrales in de volgende kabinetsperiode en stoppen met de winning, handel, opslag, overslag en subsidiëring van fossiele brandstoffen.’

Momenteel draait de haven nog voor de helft om olie en kolen. De industrie in de haven, met de grootste raffinaderijen van Europa en veel chemiefabrieken, stoot als cluster de meeste CO₂ in Nederland uit. Maar de toekomst van de haven wordt een stuk klimaatvriendelijker als het aan Castelein ligt. In 2030 moet dat minimaal 49% minder zijn en in 2050 moet de haven zelfs emissievrij zijn.

‘Wij kunnen in het Rotterdamse vooruitlopen op het klimaatakkoord’

Allard Castelein

‘Wij kunnen in het Rotterdamse vooruitlopen op het klimaatakkoord’, betoogt Castelein in een gesprek op zijn kantoor in het verder verlaten gebouw van HbR op de Kop van Zuid. Maar dan moet er volgens de havenman snel en massaal worden ingezet op de productie en het gebruik van waterstof in de haven. Dit lichtste molecuul kan duurzaam worden ingezet als brandstof voor de industrie en transport en als grondstof voor de chemische industrie.

Vele miljarden aan investeringen

De grootste haven van Europa kan volgens Castelein met waterstof een aanjager worden van de Nederlandse economie. Concreet plan is de aanleg van een centrale pijpleiding door de haven voor het transport van waterstof naar de industrie. En er zijn uitgewerkte plannen voor een zogeheten conversiepark op de Maasvlakte, waar Shell en de combinatie BP/Nouryon willen investeren in elektrolysefabrieken voor de waterstofproductie.

Het zijn plannen die investeringen vergen van vele miljarden. Ondanks dat nog niet alles even duidelijk is, is het volgens Castelein nodig nu stappen te zetten. ‘Ik wil de boodschap afgeven en de omgeving scheppen dat we hier in de haven het meest aantrekkelijke vestigingsklimaat hebben.’

U zegt dat waterstof een nieuw verdienvermogen kan scheppen voor Nederland. Wat bedoelt u hiermee?

‘De brancheorganisatie FME heeft onlangs nog gezegd dat dit een kans is voor de technische industrie in Nederland. De vraag naar elektrolysers (waterstoffabrieken) wordt zo groot, daar moeten we als Nederland een rol in kunnen en willen spelen. Dat is een belangrijk signaal, want we hebben een deel van de windenergie-industrie ook weg laten lopen bij ons. Nu de hele wereld bezig is stappen te nemen met waterstof, liggen we nog niet achter. Sterker nog, ik denk dat we voor liggen.’

Nederland heeft toch geen bedrijven die dit kunnen, zoals Siemens?

‘Het is ook niet één bedrijf dat dit moet produceren. De FME roept daarom op een consortium te vormen, we moeten ons nu gaan verenigen.’

Allard Castelein: 'Nu de hele wereld bezig is stappen te nemen met waterstof, liggen we nog niet achter. Sterker nog, ik denk dat we voor liggen.'
Allard Castelein: ‘Nu de hele wereld bezig is stappen te nemen met waterstof, liggen we nog niet achter. Sterker nog, ik denk dat we voor liggen.’ Foto: Ernst Bode

Waarom bent u ervan overtuigd dat waterstof de toekomst heeft in de haven?

‘We zijn in de laatste twee jaar over een drempel gegaan. Het is een vlucht gaan nemen. Vijf jaar geleden zagen we de theorie en konden we het intellectueel begrijpen. Nu zien we dat het is omarmd door heel veel bedrijven. Bedrijven zeggen dat ‘de geest uit de fles is’ als het gaat om energietransitie. Ik wil dat die bedrijven zien dat hier een klimaat is waar ze wat mee kunnen.’

Voor Castelein houdt het niet op met de lokale productie en verbruik van waterstof. De haven moet een hub voor waterstof worden, met import en doorvoer naar de industrie in Noordrijn-Westfalen en naar Chemelot in Limburg. ‘Thyssen Krupp bijvoorbeeld wil groene waterstof gebruiken voor zijn staalfabrieken in Noordrijn-Westfalen. Dus daar zijn we al bezig met een directe connectie.’ Met landen als IJsland, Marokko, Uruguay en Oman is de ceo van de haven in gesprek over toekomstige grootschalige import van waterstof.

U heeft haast. Welke concurrentie is er dan?

‘Duitsland stelt €9 mrd ter beschikking voor de ontwikkeling van waterstof. De Fransen €7 mrd. Met alle respect: Nederland tot op heden €35 mln. Daar gaan we de wedstrijd niet mee winnen. Er zijn in 2021 verkiezingen in Duitsland. De nieuwe kanselier zal invulling willen geven aan de ontwikkeling van waterstof. Je moet nu stappen durven zetten. Als de Duitsers de waterstofeconomie vormgeven, kijken ze ook waar gaat dat nu vandaan komen: Antwerpen, Rotterdam, Bremerhaven? Als we te lang wachten en blijven zitten, dan weet ik zeker wat we gaan krijgen, namelijk niks.’

‘Als we te lang wachten en blijven zitten, dan weet ik zeker wat we gaan krijgen, namelijk niks’

Allard Castelein

De waterstofplannen van Castelein gaan miljarden kosten. Voor bedrijven is groene waterstof — geproduceerd met vooral stroom van windparken op zee — duur. Daardoor is het onaantrekkelijk in relatie tot de prijs voor een ton uitgestoten CO₂. Het is daarom onontkoombaar dat de overheid in de eerste fase waterstof moet steunen. ‘Om schaalvergroting te bereiken moet je voorinvesteren in de aanleg van een centrale pijpleiding om hierop diverse bronnen aan te sluiten. Zo is dat met wind op zee ook gegaan.’

Wat heeft u concreet voor steun gevraagd aan de overheid?

‘Wij willen graag dat de overheid onderkent dat je infrastructuur wilt uitrollen voor de toekomst en dat er dus een onrendabele top is die moet worden gefinancierd. Voor de elektrolysefabrieken moet er subsidie komen, want door schaalvergroting zal de prijs van groene waterstof dalen. Dat is niet voor ons, maar voor de keten.

Daarnaast willen we hier extra windstroom laten aanlanden gelet op het stroomverbruik van de elektrolysefabrieken. En we vragen de overheid zich openbaar echt te committeren om chemiepark Chemelot en de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen aan te sluiten op forse import van waterstof via Rotterdam.’

Nieuwe grote offshorewindparken die elektrolysers gaan voeden in de Rotterdamse haven, gaat dat niet ten koste van de verduurzaming van huishoudens?

‘Nee, het gaat om extra windparken. Uiteindelijk hebben we een klimaatuitdaging, en voor mij is de klimaatuitdaging om naar nul emissie van CO₂ te gaan. Als ik hoor dat de gebouwde omgeving, de agrosector, de mobiliteitssector grote problemen hebben om het 2030-doel te halen, dan is het toch juist mooi dat de industrie sneller meer kan doen om diezelfde doelstelling te halen? We moeten de voorlopers toejuichen en zorgen dat de achterblijvers meegaan.’

Maakt u zich geen zorgen over de verkiezingen. GroenLinks wil dat havens stoppen met fossiele brandstoffen. Met andere woorden: we gooien de haven dicht.

‘Dat is natuurlijk onzinnig. Ik kan er niet meer van maken. De onverstandigste transitie is als je bedrijven vraagt het licht uit te doen. Dan verdwijnt werkgelegenheid, verdwijnt kennis, kunde, research en ontwikkeling, investeringen: alles verdwijnt. Dus als we een volgend kabinet krijgen met een totaal andere lijn, dan gaan we falen met de energietransitie. Full stop. Bedrijven gaan alleen investeren als het beleid standvastig is. Vertrouwen komt te voet en vertrekt te paard.’

5 januari 2021

Eerste aardgas uit Azerbeidzjan arriveert in Europa

Bron: Financieel Dagblad

Bouwwerkzaamheden aan de zuidelijke gascorridor in Albanië.
Bouwwerkzaamheden aan de zuidelijke gascorridor in Albanië. Foto: Florion Goga/Reuters

Voor het eerst stroomt er rechtstreeks Azerbeidzjaans aardgas uit de Kaspische Zee richting Europa. Het laatste deel van de verbinding, die tussen de Turks-Griekse grens en de hak van de Italiaanse laars, is op oudjaarsdag in gebruik genomen.

Dat hebben de betrokken partijen donderdag bekendgemaakt . De 3500 kilometer lange ‘zuidelijke gascorridor’ moet Europa minder afhankelijk maken van Russisch gas. De pijpleiding verbindt Azerbeidzjan via Georgië en Turkije met Griekenland, vanwaar hij verder loopt via Albanië naar Italië. De aanleg duurde ruim zeven jaar.

Kosten €40 mrd

De gasverbinding bestaat uit drie delen. De eerste pijp (SCPX), tussen het Shah Deniz-gasveld in de Kaspische Zee en de Turks-Georgische grens, transporteert al sinds 2006 Azerbeidzjaans gas richting Turkije. Daar kwam twee jaar geleden de Turkse Tanap-leiding bij. Met de ingebruikname van de Trans-Adriatische pijpleiding (Tap) op Grieks, Albanees en Italiaans grondgebied is de corridor compleet.https://localfocuswidgets.net/5fedd72762b5f

De kosten van het totale project bedragen zo’n €40 mrd. Aandeelhouders zijn veelal staatsolie- en gasbedrijven, aangevuld door private partijen zoals BP en Petronas. Het project is mede gefinancierd door de Europese Investeringsbank (€1,5 mrd).

Afhankelijkheid van Rusland

Ook de Europese Commissie heeft zich sinds de start hard gemaakt voor de gaspijpleiding, vooral om de aanvoer te spreiden. Nu komt ongeveer 40% van alle gasimporten in de Europese Unie uit Rusland, blijkt uit cijfers van de Eurostat. Andere grote leveranciers zijn Noorwegen (19%) en Algerije (12%).

Het is de bedoeling dat Azerbeidzjan jaarlijks 10 miljard kubieke meter aan aardgas levert aan Europa. Daarmee is het nog altijd een kleine speler vergeleken met Rusland, dat in 2019 bijna 200 miljard kuub exporteerde. Totaal werd er in de EU vorig jaar 482 miljard kuub aardgas verbruikt.

23 december 2020

Mallemolens

Bron: “Maarten 3-2020, Ed Croonenberg

Windenergie vormt een belangrijk onderdeel van de energietransitie. Dat klinkt logisch: waaien doet het hier vaak en windkracht is schoon. Maar de werkelijkheid is minder fraai. Windmolens zijn duur, inefficiënt en soms toch vervuilend. Bovendien doden ze talloze dieren.

Dat was schrikken, in augustus 2019. De Amerikaanse documentairemaker Michael Moore genoot wereldfaam vanwege zijn ongezouten films tegen onder meer de vuurwapenlobby en de farmasector. Niemand twijfelde eraan dat Moores hart links klopte. En toen bracht hij, samen met Jeff Gibbs, Planet of the Humans uit. In deze documentaire wordt de vloer aangeveegd met groene energie. Biomassa, zon en wind: ze zouden geen van alle deugen. Ze zouden inefficiënt zijn en een groot beslag leggen op – vaak zeldzame – natuurlijke bronnen. Daar komt bij, aldus Gibbs en Moore, dat de beweging voor hernieuwbare energie allang is geïnfiltreerd door het grote bedrijfsleven, dat het als een rookgordijn gebruikt om de eigen milieuverwoestende activiteiten aan het zicht te onttrekken.

De docu sloeg in als een bom. Dit was een frontale aanval op de idee dat de planeet gered kan worden door op massale schaal over te schakelen op duurzame energiebronnen. De linkse filmmaker Josh Fox verzamelde handtekeningen om YouTube ertoe te bewegen Moores ‘schokkend misleidende en absurde’ documentaire offline te halen. ‘Planet of the Humans grossiert in de allang achterhaalde argumenten van de fossiele brandstofindustrie,’ aldus Fox.

Zelf zagen Gibbs en Moore dat anders. In de progressieve politieke vlog The Hill betoogden ze dat ze weliswaar ‘een enorme bewondering koesteren voor milieuactivisten’, maar dat deze nog altijd geen duidelijke oplossing voor het klimaatprobleem bieden. ‘Wanneer we niet bereiken wat nodig is,’ aldus Moore, ‘dienen we dan geen zelfreflectie te vertonen door te zeggen: oké, dit werkt niet – wat moeten we doen om dat te veranderen?’

Volgens Gibbs, die het script van de documentaire schreef, is de kern van zijn betoog dat milieuactivisten zich zouden moeten richten op de kern van het klimaatprobleem, namelijk de ongebreidelde groei van de wereldbevolking en de economie. In zijn ogen is de ‘energietransitie’ niets meer dan wat in het Engels een technofix heet: een technologische oplossing voor een in essentie niet-technisch probleem.

Fossiele orgie

Zon, wind en biomassa vormen ook in Nederland de kurk waarop de door velen gedroomde energietransitie drijft. Eén van deze energiebronnen is inmiddels zwaar controversieel: de politieke en maatschappelijke steun voor biomassa verdwijnt nog sneller dan de bossen die daar in Estland en Amerika voor worden verwoest. Dit voorjaar maakte energiebedrijf Vattenfall bekend een geplande biomassacentrale bij Amsterdam IJburg ‘in heroverweging te nemen’ vanwege de groeiende weerstand in de regeringspartijen ChristenUnie en D66.

Zonne-energie, daarentegen, is vrijwel onomstreden. Menige Nederlandse zonnecelbezitter verkneukelt zich op zonnige dagen over zijn teruglopende elektriciteitsmeter. Gemor klinkt er hooguit over zonnecollectoren die in weilanden worden geplaatst.

Blijft over: wind. Windmolens kunnen op een eerbiedwaardige geschiedenis bogen. De eerste praktische molens werden vanaf de zevende eeuw ontwikkeld ten zuiden van de Hindoekoesj. Ergens in de twaalfde eeuw doken ze in onze streken op, waar ze een welkome aanvulling vormden op de aloude watermolens. Windmolens hadden bovendien het voordeel dat ze in de winter bruikbaar bleven.

In Nederland verkreeg de windmolen een speciale status als dé technologie die het mogelijk maakte water weg te pompen uit laaggelegen gebieden. De onder niet-Nederlanders populaire frase ‘God schiep de wereld, maar de Nederlanders schiepen Nederland’ is namelijk onjuist. In werkelijkheid deden onze voorouders door slecht bodemgebruik en turfwinning de grond dermate inklinken dat deze gevaarlijk dicht het hoogwaterpeil van de Zuiderzee begon te naderen. Dijken vormden de eerste linie. Molens bleken de ideale machines om in de aldus ontstane polder het grondwaterpeil te reguleren – zeker nadat deze door onder anderen Jan Adriaanszoon Leeghwater belangrijk waren verbeterd. Ook een andere toepassing van de windmolen bracht de Nederlandse economie veel goeds. In 1592 bouwde Cornelis Corneliszoon van Uitgeest de eerste houtzaagmolen. Dankzij de zaagmolen konder er plotseling héél veel sneller planken worden gemaakt – een onschatbaar voordeel voor de scheepsbouw.

De steun voor biomassa verdwijnt nog sneller dan de bossen die daarvoor worden verwoest

De Nederlandse economie was tot pakweg 1800 vrijwel circulair, zoals dat tegenwoordig heet. Dieren en mensen ploegden het land en trokken karren, koetsen en trekschuiten voort. Verwarming vond plaats door biomassa in de vorm van hout en turf te verbrabdeb. Machines werden aangedreven door water- en windmolens, en ook de scheepsvaart trok zich voort aan de wind.

Deze pre-industriële economie stak in 1787 de fossiele Rubicon over toen in de Blijdorpse polder het eerste stoomgemaal geopend werd. De eeuw die volgde, zou beheerst worden door steenkool. Wind- en watermolens werden vervangen door stoommachines, die in de twintigste eeuw plaats zouden maken voor interne verbrandingsmotoren.

Het was te midden van deze fossiele brandstoffen-orgie dat Charles F. Brush de eerste windmolen bouwde om elektriciteit op te wekken. In de winter van 1887 en 1888 bouwde deze Amerikaanse stroomtycoon op zijn landgoed in Cleveland (Ohio) een windmolen met 144 cederhouten rotorbladen van elk 17 meter lang. De generator van 12 kW vulde twintig jaar lang de twaalf accu’s (met in totaal 408 cellen) die elke avond 350 lampen deden gloeien.

In Europa waren het vooral de Denen die met deze technologie experimenteerden. In 1891 bouwde de Deen Poul la Cour de eerste windmolen die door middel van elektrolyse (het elektrisch splitsen van water) waterstof produceerde. Overigens leverden ook de VS, Frankrijk en Duitsland belangrijke bijdragen aan de ontwikkeling van de moderne windturbine.

Palm Springs, California

Totaal ongeschikt

Tegenwoordig vormen de witte palen met de drie turbinebladen een vertrouwd landschappelijk beeld. Ze zijn nodig, zo argumenteren voorstanders, om de opwarming van de aarde te beëindigen. Ze produceren immers geen broeikasgassen – louter schone stroom. In de toekomst zouden ze ook de waterstofeconomie kunnen voeden. Dat is een energiemodel waarin alle toepassingen die moeilijk geëlektrificeerd kunnen worden – denk aan de zware industrie, landbouwmachines, schepen en vliegtuigen – gevoed zullen worden met uit zeewater gewonnen waterstof. Dat is prachtig circulair, omdat waterstof bij verbranding transformeert tot waterdamp, die weer als regen neerdaalt.

Een aantrekkelijk verhaal. Maar klopt het ook? Het antwoord op die vraag kan worden geleverd door een levenscyclusanalyse (LCA), waarin werkelijk elk aspect van een technologie op een goudschaaltje wordt gewogen om een optelsom te maken van de kosten en baten ervan. Zo mag niet de rekening worden vergeten van de cateraar die de broodjes brengt aan de mannen en vrouwen die de windturbine ter plaatse in elkaar zetten. Want midden op de Noordzee valt zo’n rekening uiteraard een stuk hoger uit dan vijf kilometer buiten de stad.

LCA’s voor windenergie onthullen dat windmolens wel degelijk CO2 produceren vanwege de productie van het staal, koper, beton en alle andere materialen die overvloedig in windturbines verdwijnen. Daar staat tegenover dat windmolens de rest van hun leven weinig fossiele brandstoffen vereisen, wat ze inderdaad tot een klimaatvriendelijke energiebron maakt. Qua CO2-uitstoot eindigt windenergie in de buurt van kernenergie, de energiebron met de laagste CO2-uitstoot per kilowattuur. Zonne-energie stoot meer CO2 uit – zij het nog altijd heel veel minder dan fossiele bronnen. Volgens een rapport van het International Panel on Climate Change (IPCC) uit 2018 stoot een kolencentrale tot 870 gram CO2 per geproduceerd kilowattuur uit. Voor een gascentrale bedraagt dit tot 490 gram CO2. Kerncentrales: 18 gram. Windenergie: 17 gram voor windturbines op zee en 15 gram voor molens op het land. Ondanks alle grondstoffen die ze vreten, scoren turbines dus meer dan uitstekend qua CO2 – wat Michael en Jeff dan ook beweren.

Toch moeten zulke cijfers met een flinke korrel zout worden genomen. Het probleem met wind is dat deze energiebron – in energiejargon – ‘intermitterend’ is. Op dagen met weinig of geen wind leveren ze geen stroom. Dat betekent dat een windmolenpark totaal ongeschikt is als basislastcentrale – dat is een centrale die met een min of meer constant vermogen elektriciteit levert. Op dit moment is dat geen groot probleem, aangezien alle windmolens bij elkaar minder dan 9 procent van de stroomproductie voor hun rekening nemen (2019, CBS). Maar in een theoretische situatie waarin alle benodigde elektriciteit in principe – dus bij gunstige weersomstandigheden – kan worden opgewekt door windmolens en zonnepanelen, dient er een net zo grote productiecapaciteit aanwezig te zijn in de vorm van peaker plants. Dat is energiejargon voor centrales die à la minute ingeschakeld kunnen worden om acute stroomuitval te voorkomen. Zulke centrales zijn bijna altijd aardgascentrales. Hoe meer windmolens er aan het stroomnetwerk gekoppeld worden, hoe meer gascentrales er nodig zijn. Er valt aldus wel wat af te dingen op het rooskleurige CO2-plaatje van het IPCC. Want zo’n gecombineerde aanpak reduceert de CO2-uitstoot weliswaar tot soms wel 40 procent, maar dat is bij lange na geen 0 procent.

Inefficiënt

Daar komt bij dat de kosten van peaker plants doorgaans niet in LCA’s worden meegewogen. Dat is in feite volksverlakkerij: de kosten van windenergie worden zo steevast te rooskleurig voorgesteld.

Voorstanders van windenergie zullen er nu op wijzen dat het in de toekomst ook vaak zal voorkomen dat windmolens méér stroom produceren dan op dat moment nodig is, en dat er technieken worden ontwikkeld om deze energie op te slaan voor later gebruik. Peaker plants zijn dan niet meer nodig. Dat klopt, in theorie. Daar wordt ook in Nederland veel onderzoek naar gedaan, onder meer door het Dutch Institute for Fundamental Energy Research (DIFFER). De Delftse onderzoeker Fokko Mulder ontwikkelt een zogenoemde battolyser, een systeem waarin overtollige energie wordt opgeslagen in de vorm van ammoniak. In Birmingham worden 5000 huishoudens van stroom voorzien door een zogeheten vloeibareluchtbatterij. Bij een stroomoverschot wordt lucht afgekoeld tot een zeer koude vloeistof. Door deze lucht vervolgens bij kamertemperatuur te koken en door een turbine te leiden, kan de elektriciteit worden teruggewonnen. Ondertussen heeft ondernemer Elon Musk in Australië een energieopslagfaciliteit gebouwd die moet bewijzen dat overtollige groene stroom opgeslagen kan worden in conventionele lithium-ion-batterijen. Daarmee voorziet hij 30.000 huishoudens van stroom.

Energieopslag wordt door velen een zonnige toekomst toebedeeld. Feit is dat er gigantische installaties voor nodig zijn die qua esthetische kwaliteit wedijveren met olieraffinaderijen. Gratis zijn ze evenmin. Daar komt bij dat al deze technieken nog in de onderzoeksfase verkeren, en dat er een chronisch tekort bestaat aan lithium-ion-batterijen.

En de waterstofeconomie dan, waar je zoveel over hoort? Nou, elektrolyse van water tot waterstof is om chemische redenen uiterst inefficiënt. De ramingen lopen uiteen, maar bij de productie, opslag en distributie van waterstof gaat zo’n 90 procent van de oorspronkelijke (wind)energie verloren. Dat verklaart meteen waarom huidige waterstofauto’s rijden op waterstof die gewonnen wordt uit – jawel – aardgas. Goed voor de luchtkwaliteit in steden, maar qua klimaat schiet je daar geen moer mee op.

Wat broeikasgassen betreft verbergt windenergie nog een addertje onder het gras: zwavelhexafluoride, oftewel SF6. Dit is een broeikasgas dat 23.900 keer krachtiger is dan CO2 (IPCC). Het wordt toegepast in elektrische hoogspanningsinstallaties – en ook in windturbines. Volgens onderzoek van Peter Simmonds en collega’s van de Universiteit van Bristol nam door lekkage van zulke installaties de uitstoot van SF6 tussen 2008 en 2018 met 24 procent toe. Op dit moment draagt SF6 voor niet meer dan 0,2 procent bij aan de door mensen veroorzaakte opwarming van de aarde. De onderzoekers wijzen er echter op dat dit gas – dat niet van nature voorkomt – maar liefst 3200 jaar lang in de atmosfeer aanwezig blijft. Wanneer windenergie echt zou doorbreken, en de molens plus alle daaraan gekoppelde apparatuur gebruik zouden blijven maken van SF6, dan kan het SF6-gehalte van de atmosfeer rap oplopen.

Onder andere Siemens en Schneider Electric werken inmiddels aan SF6-vrije apparatuur. Maar hoelang het nog zal duren voordat de hele sector wereldwijd door de pomp gaat, valt niet te zeggen.

Windturbines zijn dus niet zo broeikasgasvrij als de voorstanders denken. Maar zijn ze dan in elk geval kostenefficiënt? Het Compendium voor de Leefomgeving (een samenwerkingsverband van CBS, het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en Wageningen Universiteit) concludeerde in 2019 dat ‘elektriciteitsproductie uit windenergie vooralsnog duurder is dan het produceren van elektriciteit uit aardgas, kolen of nucleaire bronnen’. En dan zijn peaker plants en opslagsystemen – zoals gebruikelijk – buiten de berekeningen gelaten. Niettemin verstuurde het ministerie van Economische Zaken en Klimaat eind juli een persbericht dat alweer het derde subsidieloze windpark in zee zal verrijzen – een project van Shell en Eneco. Inderdaad legt de overheid geen geld toe op de stroomprijs, maar: ‘De elektriciteitskabel naar land en het “stopcontact” op zee worden door netbeheerder TenneT aangelegd.’ Het persbericht vermeldt niet dat staatsbedrijf TenneT hier volgens eigen ramingen de komende tien jaar zo’n 6 miljard euro aan kwijt zal zijn.

Voorstanders beweren dat het een kwestie van tijd is voordat windenergie concurrerend zal worden. Maar gezien de noodzaak om uiteindelijk óf heel veel nieuwe gascentrales, óf grootschalige stroomopslagfabrieken te bouwen, valt dat zeer te bezien.

1200 miljard dode insecten

Ondertussen vragen milieuorganisaties al jaren aandacht voor de schade die de enorme zwaaipalen aanrichten in de natuur. Vogels worden uit de lucht geslagen door de wieken. Vleermuizen hoeven niet eens met die wieken in aanraking te komen – zij vallen dood neer doordat luchtdrukverschillen rondom de wieken hun longen doen ontploffen. Volgens onderzoeker Paul Cryan van de U.S. Geological Survey is de kans groot dat windmolens tot het uitsterven van vleermuissoorten leiden. We hoeven dan overigens niet bang te zijn voor een insectenplaag, want ook deze diergroep wordt massaal op de klimaattafels geofferd. Franz Trieb van het Duitse Institut für Technische Thermodynamik noemt 1200 miljard dode insecten per jaar een conservatieve schatting – een cijfer voor Duitsland alleen. Hij noemt dat ‘relevant voor de stabiliteit van populaties’. Overigens kan een korst van dode insecten op de wieken een turbine de helft minder efficiënt maken.

Hoe meer windmolens aan het stroomnetwerk worden gekoppeld, hoe meer gascentrales nodig zijn

Heipalen slaan in zee voor offshore-windparken is dan weer dodelijk voor vissen en andere zeedieren – ze kunnen absoluut niet tegen de herrie. En deze zomer riepen zes milieuorganisaties, waaronder Natuurmomenten, ertoe op om toch vooral géén extra windmolens te plaatsen rondom het IJsselmeer. ‘Met de aanleg van windparken in het IJsselmeergebied gaat er belangrijk leefgebied verloren van beschermde en bedreigde vogelsoorten. Ook vliegen vleermuizen en vogels zoals de zeearend in de nacht of bij slecht weer tegen de windturbines aan, wat ze veelal niet overleven,’ aldus de natuurorganisaties. Als alternatief sporen ze de overheid aan in te zetten op de plaatsing van zonnepanelen op daken, aan gevels en in bebouwd gebied.

Reparateurs werken aan een molen bij Halle. Duitsland

Dan is er nog de mens. Windmolens produceren laagfrequent geluid. Naar schatting 10 tot 20 procent van de mensen is daar gevoelig voor, aldus huisarts Sylvia van Manen in het vakblad Medisch Contact (2018). Uiteraard doet de windsector dit af als onzin. Of op z’n best als een noncebo-effect: het verschijnsel dat mensen ziek worden van een verwachting of vooroordeel. Hoe dan ook kan de sector moeilijk ontkennen dat windmolens weerstand oproepen. En dat heeft consequenties. In gidsland Duitsland daalde de plaatsing van nieuwe windturbines de laatste paar jaar spectaculair. Dat valt niet los te zien van de volksbewegingen die tegen windmolens zijn opgestaan. Deze worden gesteund door de populistische partij AfD, een feit dat de regeringspartij CDU niet onberoerd laat.

Alex Robertson, directeur Midden-Europa van ’s werelds grootste windmolenbouwer Vestas, noemde de situatie vorig jaar in een NOS-reportage ‘extreem ernstig’. De oorzaak van de crisis is dat de overheid veel te weinig licenties afgeeft. ‘Waar we wel mogen bouwen, ontstaat vertraging door rechtszaken en protesten,’ aldus Robertson.

Windmolens zijn goed voor het klimaat, maar slecht voor het leefklimaat. Jeff Gibbs heeft gelijk: de beste oplossing om de klimaatcrisis af te wenden is stoppen met – almaar meer – elektriciteit verbruiken. Maar dat kunnen we als mensheid om allerlei redenen niet. De op één na beste oplossing is windmolens oprichten op plekken waar mens en dier er het minst last van hebben – zoals op zee – in combinatie met de bouw van energieopslag op plekken als de Tweede Maasvlakte. Ondertussen zouden we de terugkeer kunnen overwegen van de goede oude poldermolen uit de zeventiende eeuw. Want daar kun je nog altijd het grondwaterpeil mee reguleren. Dat bespaart stroom, en het landschap zou er flink van opknappen.

De auteur denkt dat klimaatverandering reëel is en veroorzaakt wordt door de mens.

22 december 2020

Bedrijven vergroenen steeds meer via een virtuele stroomdeal

Bron: Financieel dagblad, Bert van Dijk

Multinationals sluiten steeds vaker meerjarige groene stroomcontracten rechtstreeks af met individuele windparken. Soms leidt dat ook tot de inkoop van groene stroom in landen waar bedrijven niet of nauwelijks activiteiten hebben. Inkoop wordt zo steeds meer een boekhoudoperatie.


Bijna alle elektriciteit die Windpark Krammer produceert, is gecontracteerd door Google, Philips, Nouryon en DSM.
Bijna alle elektriciteit die Windpark Krammer produceert, is gecontracteerd door Google, Philips, Nouryon en DSM. Foto: Marco van Middelkoop/Hollandse Hoogte

In het kort

Grote bedrijven sluiten steeds meer groene inkoopcontracten rechtstreeks af met wind- en zonneparken.

Bedrijven proberen daarmee hun activiteiten te vergroenen.

Door ook contracten te sluiten met windparken in landen waar een bedrijf niet zit, wordt inkoop van groene stroom meer en meer een boekhoudexercitie.

Het aantal grote deals voor groene stroom zit in de lift. Mede onder druk van klimaatdoelstellingen van de overheid en maatschappelijke druk formuleren bedrijven ambities om de CO₂-uitstoot terug te dringen en duurzamere energie te gebruiken.

Zo sloot Microsoft een aantal jaren geleden een deal met een groot windpark van Vattenfall in de Wieringermeer voor groene stroom en met offshorewindpark Borssele 3+4. Windpark Krammer heeft bijna de gehele stroomproductie voor de komende jaren verkocht aan onder andere Google, DSM en Philips.

En vorige week nog sloot Amazon een tienjarige overeenkomst met een groot offshorewindpark in Duitsland, de grootste inkoopdeal voor een Europees offshorewindpark ooit.

De populariteit van dit soort contracten, in jargon beter bekend als power purchase agreements (PPA), neemt toe. Bedrijven kunnen laten zien dat ze hun klimaatambities vormgeven met duurzame energie en zijn zo afgedekt tegen schommelingen in de energieprijzen. Wind- en zonneparkontwikkelaars zijn op hun beurt verzekerd van langjarige inkomsten. Dat wordt voor deze ontwikkelaars extra belangrijk nu de komende jaren overheidssubsidies en daarmee een stabiele inkomstenstroom voor wind- en zonne-energie gaan verdwijnen.

In 2019 ging het in heel Europa om een capaciteit van ruim 2,5 gigawatt aan groene stroom dat via langjarige inkoopcontracten rechtstreeks met wind- en zonneparken werd afgesloten, een stijging met 25% ten opzichte van een jaar eerder. En dit jaar groeit het door naar 3 gigawatt, ondanks de impact van de coronapandemie, verwacht WindEurope, de branchevereniging van de windenergiesector.

Garanties van oorsprong

Rechtstreekse inkoop van groene stroom bij wind- en zonneparken vindt vaak lokaal plaats. Dat wil zeggen: een bedrijf koopt groene stroom in bij een wind- of zonnepark in de buurt of in het land waar het actief is, zoals Microsoft dichtbij zijn datacenter in de Wieringermeer een contract afsloot met Vattenfall.

Maar bedrijven kijken inmiddels steeds vaker ook over de grens. Zo sloten vier Nederlandse bedrijven onlangs een grote deal met een nog te bouwen windpark in Finland. Philips, Heineken, Nouryon en Signify kopen tien jaar lang de groene garanties van oorsprong of certificaten van een windpark in Mutkalampi in midden-Finland, maar nemen niet de daadwerkelijke elektronen af. De certificaten zijn het bewijs dat de betreffende elektriciteit groen is opgewekt. Zo is dat afgesproken in Europa. De bedrijven gebruiken die certificaten om dezelfde hoeveelheid grijze stroom die ze honderden kilometers verder weg gebruiken, te vergroenen.

Virtuele overeenkomsten

Een virtual power purchase agreement (vPPA) heet dat in jargon, een meerjarige financiële inkoopovereenkomst, waarbij geen daadwerkelijke stroom wordt geleverd.

‘Door rechtstreeks met de ontwikkelaar van het windmolenpark te onderhandelen, garandeert het consortium dat voor elke megawattuur aan elektrische energie die zijn leden verbruiken, een megawattuur aan schone energie wordt opgewekt, wat hen helpt hun emissiedoelstellingen te halen’, legt een woordvoerder van Signify uit.

Samen optrekken

Dat het windpark diep in Finland staat, ver weg van de activiteiten van de bedrijven die willen vergroenen, is volgens de bedrijven niet zo relevant. De bedrijven kopen ook wel lokaal groene stroom in, zoals in Nederland, maar door samen een consortium te vormen kunnen ze grotere inkoopdeals sluiten voor hun activiteiten en locaties in heel Europa. Dan hoeven ze dat niet per land te doen met individuele contracten en kunnen ze voordeligere contracten afsluiten.

‘Om de elektriciteitsbehoefte voor de langere termijn te verduurzamen hebben wij – samen met Heineken, Nouryon en Philips – besloten samen een leverancier te zoeken. Die hebben we gevonden in Finland. Alle partners in het consortium zullen de duurzame elektriciteit gebruiken voor activiteiten op verschillende locaties in Europa’, aldus de Signify-woordvoerder.

Extra groene energie

Weero Koster, de juridisch energieadviseur die het consortium heeft geadviseerd bij deze deal, verwacht de komende jaren meer van dit soort pan-Europese overeenkomsten. ‘Bedrijven zijn in heel Europa actief en zoeken dus ook Europees naar groene energieprojecten. Belangrijk is dat er met dit soort overeenkomsten extra groene energie wordt gebouwd.’

En dat gebeurt nu dus in Finland. Het windpark zou er namelijk niet zijn geweest als de bedrijven niet vooraf een stroomafnamecontract zouden sluiten, zegt Koster. Hoewel de nieuw geproduceerde hernieuwbare energie in Finland niet noodzakelijkerwijs invloed heeft op het elektriciteitsnetwerk waar de activiteiten van het consortium zich bevinden, verhoogt het wel de hoeveelheid hernieuwbare energie op de Europese energiemarkt als geheel en ondersteunt het daarmee de ambities voor groene energie in Europa, legt de woordvoerder van Heineken uit.

Groene claims

Dat het windpark in een uithoek van Finland staat heeft vooral ook financiële redenen. ‘Finland is een van de weinige landen waar de omstandigheden gunstig zijn om een grensoverschrijdende virtuele PPA financieel haalbaar te maken’, zegt een woordvoerder van Heineken. Dan gaat het om de optelsom van onder andere lokale regelgeving en bouwkosten.

Een woordvoerder stelt ook dat met de virtuele PPA, waarbij de stroom doorverkocht wordt op het lokale netwerk en de bedrijven een garantie van oorsprong ontvangen, de lokale Finse stroomvoorziening duurzamer wordt.

Energie-expert Margriet Kuijper ziet daarin echter een groot risico. ‘Zowel het bedrijf als het land waar de windmolens gebouwd worden, nemen dezelfde nul-emissie-elektriciteit mee in hun boekhouding. Uiteindelijk gaat dat een keer mis natuurlijk. Iedereen rapporteert nul maar we hebben nog steeds emissies. Rara, hoe kan dat?’

Principes verlaten?

In feite wordt zo twee keer een groene claim gelegd op dezelfde hoeveelheid elektronen. ‘Fysiektechnisch wordt het netwerk in Finland iets klimaatvriendelijker, maar volgens de regels die in Europa zijn afgesproken gaat de klimaatwinst naar de koper’, zegt energie-expert Sjak Lomme. ‘De koper kan die claimen. Commercieel en politiek is dat zinvol maar het vreemde effect is dat een doorsnee Fin die straks naast het windpark woont, nooit en te nimmer gaat begrijpen dat hij grijze stroom gebruikt, omdat de garanties van oorsprong aan een Nederlands bedrijf zijn verkocht’, aldus Lomme.

Waar lokale bedrijven, zoals bijvoorbeeld de Nederlandse Spoorwegen uitsluitend lokale groene stroom willen inzetten voor het vergroenen van het bedrijf, kijken multinationals echter naar het vergroenen van hun hele portefeuille aan activiteiten en niet naar de plek waar de individuele installaties staan. ‘Verlaat je dan niet je principes, zou je je misschien kunnen afvragen,’ zegt energieadviseur Koster, ‘maar vanuit Europees perspectief is het natuurlijk heel goed om Europees te kijken.’

Lomme ziet dat ook, maar benadrukt wel dat groene claims via virtuele grensoverschrijdende overeenkomsten moeilijker te verifiëren zijn.

21 december 2020

Opluchting, maar ook woede over biomassa-advies Planbureau

Bron: Financieel Dagblad, Orla McDonald

Alle huizen in Nederland moeten van het aardgas af, zoals hier in Purmerend. Biomassa kan een bron zijn voor een warmtenet dat huizen verwarmt, maar het verbranden van hout stuit op veel kritiek.
Alle huizen in Nederland moeten van het aardgas af, zoals hier in Purmerend. Biomassa kan een bron zijn voor een warmtenet dat huizen verwarmt, maar het verbranden van hout stuit op veel kritiek. Foto: Olivier Middendorp/Hollandse Hoogte

In het kort

Het kabinet zit in een spagaat wat betreft het gebruik van biomassa als energiebron.

De Tweede Kamer vindt het niet duurzaam en wil ermee stoppen.

Maar dat is risicovol voor het halen van klimaatdoelen, zegt het PBL.

Alsmaar wachten op de schoonste oplossing leidt tot niets, maar kiezen voor een biomassa terwijl niemand voor is is een slecht plan, zeggen voor- en tegenstanders.

Een advies aan de regering om niet te snel te stoppen met omstreden subsidies op biomassa, leidt tot gemengde reacties. Voorstanders van het verbranden van hout voor energie zien bevestigd dat het nodig is voor de energietransitie, terwijl tegenstanders kwaad zijn over verspilling van duurzame subsidies. Verantwoordelijk minister Eric Wiebes laat de keuze nog even in het midden.

Als de overheid ruim voor 2030 stopt met subsidies voor het verbranden van biomassa, dan stokt het van het aardgas halen van huizen. Dat concludeerde het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) afgelopen vrijdag in een langverwacht advies. Een meerderheid van de Tweede Kamer wil af van nieuwe subsidies voor biomassa, omdat ze het niet duurzaam vinden. In de coalitie staan D66 en ChristenUnie lijnrecht tegenover de VVD en het CDA op dit punt.

‘D66 wil eerder dan 2030 stoppen met biomassa’, zegt Tweede Kamerlid Matthijs Sienot, die kritisch is over het rapport. Hij vindt dat het PBL er te veel van uitgaat dat biomassa CO₂-neutraal is en daarmee goed is voor het klimaat.

In Europa wordt biomassa gezien als CO₂-neutraal. Het verbranden van bomen, resthout en tuinafval geldt als een hernieuwbare energiebron om van fossiel af te komen, wat weer nodig is om klimaatverandering tegen te gaan.

In Nederland is juist protest van burgers die liever geen biomassacentrale in hun gemeente zien, maar ook de Sociaal-Economische Raad zegt dat biomassa geschikter is als grondstof in de industrie dan als brandstof in de energiesector. Minister Wiebes (Klimaat, VVD) liet het PBL daarom onderzoeken doen naar een mogelijk eindjaar voor de subsidies.

‘Wachten heeft geen zin’

Ron Wit is directeur energietransitie bij energieconcern Eneco. Volgens Wit zijn te weinig mensen zich bewust van de urgentie om nu te starten met de energietransitie. ‘De opwarming van de aarde wacht niet tot de schoonste oplossing gevonden is. Wachten op iets beters heeft er enkel toe geleid dat Nederland het vieste jongetje van Europa. Je moet oppassen met het heroverwegen van beleid. Als je dat te vaak doet ondermijnt dat investeringszekerheid bij bedrijven’, zegt hij.

Andere duurzame energiebronnen zijn er nog niet

De subsidie die is toegezegd aan energiebedrijven voor biomassa bedroeg tot 2019 ruim €14 mrd voor de komende twintig jaar, inclusief €3,5 mrd voor het stoken van biomassa in kolencentrales. Biomassa geldt als één van de goedkopere opties om huizen van het gas te halen, alternatieven zoals aardwarmte staan nog in de kinderschoenen. Wiebes wil alleen een subsidiestop op voorwaarde dat de energietransitie haalbaar en betaalbaar blijft.

‘Ik ben zo kwaad, dit PBL-rapport slaat nergens op’, zegt Louise Vet, hoogleraar ecologie in Wageningen. Ze is al jaren tegenstander van biomassaverbranding. ‘De miljarden die zijn gegaan naar subsidie voor biomassa had je moeten steken in schonere technieken dan had je er nu niet mee achtergelopen’, zegt ze. Volgens Vet is het noodzakelijk dat er niet nog meer subsidie naar biomassa gaat. ‘Maak die fout niet nogmaals, gebruik aardgas iets langer en steek geld in isolatie van huizen.’

Sienot vindt kleinschalige warmtenetten, waarbij vijfhonderd huizen gasloos worden gemaakt, een beter idee dan een reusachtig warmtenet met een biomassacentrale. ‘Het draagvlak is dan zo laag, dat werkt pas vertragend.’ Hij eist van de minister een eindjaar voor biomassasubsidies dat voor 2030 ligt.

Wat gaat minister Wiebes doen?

De vraag is nu wat minister Wiebes gaat doen. Hij had de Tweede Kamer beloofd om voor het einde van het jaar met een ‘voortvarend afbouwpad’ voor biomassasubsidies te komen, maar hij wil ook vaart houden in de energietransitie. Vrijdag wilde het kabinet niet reageren op de conclusie van het nieuwe rapport.