Plan voor mega waterstoffabriek legt vinger op zere plek in energie- en klimaatbeleid

11 maart 2020

bron: Financieel Dagblad, Remco de Boer

Remco de Boer is adviseur op het gebied van energietransitie

Al weken hing het in de lucht: in Groningen zou iets groots gaan gebeuren. Twee weken geleden was het zover. Shell, Gasunie, Groningen Seaports en de provincie kondigden de bouw aan van een megagrote fabriek voor de productie van groene waterstof. De grondstof daarvoor, groene stroom, moet van een aantal nieuw te bouwen, eveneens megagrote windparken op zee komen. NortH2 heet het project.

Illustratie: Hein de Kort voor Het Financieele Dagblad

Een trotse commissaris van de Koning kwam superlatieven tekort. Hij sprak alsof alles in kannen en kruiken is. Maar dat is het niet. Sterker nog: de eerste serieuze stap, een haalbaarheidsstudie, moet nog worden gezet. En er zijn meer vraagtekens.

Zo is het maken van waterstof met groene stroom veel duurder dan met aardgas, wat nu nog als grondstof wordt gebruikt. Voor een sluitende businesscase is subsidie nodig. Maar de initiatiefnemers zeiden dat er ‘mogelijk’ subsidie nodig is. Misschien dus wel niet. En dus was de vraag: hoe financiert u het project? Een inhoudelijk antwoord kwam er niet.

Inmiddels wordt duidelijk wat er in Groningen speelt. De aankondiging was vooral een roep; een roep om een weeffout in het huidige energie- en klimaatbeleid te repareren. Dat beleid is sectoraal georganiseerd. Zo hebben de sectoren Elektriciteit, Industrie, Gebouwde omgeving, Mobiliteit en Landbouw allemaal hun eigen CO₂-reductiedoel en maakten ze afspraken aan hun eigen klimaattafel.

Alle vijf sectoren moeten hun doel zo kostenefficiënt mogelijk halen. Maar zelfs als dat lukt, wil dat niet zeggen dat daarmee ook het totale energiesysteem op de lange termijn kostenefficiënt fossielvrij wordt gemaakt, wat toch het einddoel is.

Verzuiling

Neem de elektriciteitssector. Die gaat meer windparken op zee bouwen, zo is afgesproken. Tot nu toe loopt dat voorspoedig. Voor de twee laatste parken was zelfs geen subsidie nodig. Maar of dat zo blijft, is zeer de vraag.

Meer windparken betekent meer aanbod van windenergie, wat op termijn de stroomprijs drukt waardoor de businesscase verslechtert. De windsector waarschuwt al langer dat er maatregelen nodig zijn. Zonder zekerheid dat hun stroom wordt afgenomen, wankelt de uitrol van wind-op-zee.

Vorige week haalde de windsector zijn gelijk. Zonder actie van de overheid bestaat inderdaad de kans dat nieuwe windparken op zee de komende jaren niet worden gebouwd, concludeerde onderzoeksbureau Afry in een studie in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

Ook de industrie zit in een lastig parket. Als bedrijven grootschalig investeren in elektrificatie, wat de bedoeling is, moet er wel voldoende groene stroom voor een goede prijs beschikbaar zijn. Die zekerheid is er nu niet.

De elektriciteits- en industriesector wachten op elkaar, concludeerden de directeuren van TKI Wind op Zee en TKI Energie & Industrie recent in een opinieartikel op nieuwssite Energeia.

Zo’n klassieke kip-eikwestie los je maar op een manier op: met systeemintegratie. Sectoren moeten samen aan de bak. NortH2 is daar een voorbeeld van: windparken die speciaal worden gebouwd voor de productie van groene waterstof die de industrie vervolgens afneemt. Hoewel er in het Klimaatakkoord wel enige aandacht voor was, ontbreekt de cross-sectorale samenhang tot nu toe in beleid. Vreemd is dat niet.

Verzuiling past bij de Nederlandse poldercultuur, waarin zeer veel partijen intensief betrokken zijn en al die partijen in de eerste plaats toch vooral hun eigen belang behartigen.

‘De industrie die, zoals onze hele economie, nog voor zo’n 90% op fossiele energie draait, wordt door sommige partijen meer gezien als onderdeel van het probleem dan als onderdeel van de oplossing’

Ook was er bij de start van het nieuwe kabinet veel politieke druk om snel tot afspraken te komen. Het huidige sectorale Klimaatakkoord kostte al zo’n anderhalf jaar; een cross-sectorale versie had nog veel meer tijd gevergd.

Wat ook niet heeft geholpen, is de tegenstelling binnen het kabinet. D66 en Christenunie wilden een hoog CO₂-reductiedoel. CDA en VVD, beide ambitieus, legden vervolgens de nadruk op kostenefficiëntie. Oftewel dat hoge doel moet liefst zo min mogelijk kosten.

Aangemoedigd door de scherpe daling van de prijs van zonne- en windenergie, ontstond het beeld dat met slechts een relatief beperkte pot subsidie de markt het verder wel zou oplossen. Dit marktdenken domineert nog altijd.

Tegelijk wordt de industrie die, zoals onze hele economie, nog voor zo’n 90% op fossiele energie draait, door sommige partijen meer gezien als onderdeel van het probleem dan als onderdeel van de oplossing. Een extra CO₂-heffing, kritiek op multinationals in het algemeen en de onduidelijkheid over de bestendigheid van subsidieregelingen op de lange termijn, maken bedrijven kopschuw.

Cross-sectorale aanpak

Eigenlijk was de boodschap in Groningen vooral aan het kabinet: kom met een visie, kom met beleid, kom met wet- en regelgeving en ja, kom ook met wat subsidie om projecten als NortH2 van de grond te krijgen.

Intussen dringt de tijd. In de EU is een ware groene waterstofwedloop aan de gang. Met de in december gelanceerde Green Deal is Europa naarstig op zoek naar grote, groene projecten. Voor steun is het zaak om eind dit jaar op de lijst met Important Project of Common European Interest (IPCEI) op waterstofgebied te komen.

Met de aankondiging van NortH2 hebben met name Shell en Gasunie de discussie die al een tijd achter de schermen wordt gevoerd, op de bühne en in de schijnwerpers gezet. Nog belangrijker dan het project is dat er werk wordt gemaakt van een geïntegreerde, cross-sectorale aanpak. Binnenkort komt het kabinet met zijn waterstofvisie. Wellicht dat daar al een eerste aanzet in zit.

Remco de Boer is onderzoeker, adviseur en publicist op het gebied van de energietransitie. Reageer via expert@fd.nl.